Logo - Archief Eemland

Zoeken door alles

Onderzoeksgids Weeskamerarchieven

Weeskamers waren belast met het toezicht op het beheer van de bezittingen van minderjarige wezen.

Bestuur
Het bestuur bestond uit zogenaamde weesmannen of weesmeesters, die door het stadsbestuur werden benoemd. Dit waren betrouwbare en financieel onafhankelijke mannen die vaak ook een rol in het plaatselijke bestuur speelden. Zij moesten voorkomen dat familieleden aan de haal gingen met de nagelaten bezittingen van de ouder van een minderjarig kind.

Werkwijze
Bij het overlijden van één of beide ouders van minderjarige kinderen was de echtgenoot of een familielid verplicht hiervan aangifte te doen bij de weeskamer. Dit moest afhankelijk van de weeskamer gebeuren binnen veertien dagen tot een maand. De aangever moest melden (en aantonen) of de voogdij over de achtergebleven kinderen was geregeld of dat dit door de weeskamer gedaan moest worden. Ouders konden via een testament iemand tot voogd benoemen of via een zogenaamde akte van seclusie voorkomen dat de weeskamer toezicht over de nalatenschap kreeg. Meestal werd in een dergelijke akte of testament de voogdij overgedragen aan de langstlevende echtgenoot. Deze ouder kreeg dan het recht om zelf een tweede voogd aan te wijzen. De voogd was verplicht om een akte van acceptatie te overleggen aan de weeskamer.

Als er niets geregeld was voor de kinderen benoemde de weeskamer de voogden en hield vervolgens toezicht op het beheer dat de voogden over de boedel uitoefenden. De voogdij werd meestal toegekend aan de overlevende echtgenoot. Daarbij werd dan een tweede voogd, meestal een mannelijk familielid van de overledene, aangewezen. Het toezicht eindigde zodra de kinderen meerderjarig werden. De meerderjarige kreeg dan ook de nagelaten bezittingen in eigen beheer.

Om een overzicht van de bezittingen en schulden van de nalatenschap te krijgen, moesten voogden zorgen voor een boedelinventaris, waarin het erfdeel van de wees was benoemd. De goederen werden meestal in bijzijn van de voogd getaxeerd. De weeskamer stelde de inventaris vast en bekeek vervolgens wat er moest gebeuren. De weduwe/weduwnaar kon de kinderen uitkopen. Het geld werd dan tegen rente belegd of uitgeleend. Als de wezen niet uitgekocht werden, kregen ze hun erfdeel bij het bereiken van meerderjarigheid. Deze nalatenschap werd, tot de laatste wees van het gezin meerderjarig was, beheerd door de voogd en eventuele weduwe/weduwnaar.

Wezen
Ten tijde van de weeskamers werd onder het begrip wees iets anders verstaan dan tegenwoordig. Niet alleen een minderjarig kind dat beide ouders had verloren was een wees (vol-wees). Ook kinderen waarvan maar één ouder was overleden werd een wees genoemd, ook wel half-wees.

Weeshuis
De wezen werden ondergebracht in weeshuizen. Dit gebeurde als beide ouders overleden waren, maar ook als de overgebleven ouder niet in staat was om voor de kinderen te zorgen. Een weeshuis is een heel andere instelling dan een weeskamer, omdat het de zorg voor de wezen op zich nam, terwijl de weeskamer toezicht hield op de nalatenschap en de aangestelde voogden.

Weeskamerarchieven
Het archief van de weeskamer bestaat uit registers en weesakten van beheerde nalatenschappen over de periode 1634-1810. Daarnaast bevat het archief boedelpapieren. Het archief van de weeskamer bevat alleen gegevens van bemiddelde wezen waar de weeskamer toezicht op had. Niet alle wezen zijn dus terug te vinden in het archief.

Van een deel van de registers is een namenindex gemaakt die te raadplegen is via onze website onder het kopje weeskamer.