Binnenstad

In de vroegmiddeleeuwse tijd liep een route van het hoge land (Hoogland) ten noorden van de latere nederzetting Amersfoort naar belangrijke plaatsen in het zuiden, zoals Leusden, Maarn, Doorn en Dorestad. Reizigers op deze landroute moesten ergens het water oversteken. Dat was het eenvoudigst op de plek waar de verschillende beken van het oosten en zuidoosten in één stroom verder gaan: de Eem. Die plek werd Amersfoort genoemd. In een oorkonde van 1028 duikt die naam voor het eerst op, maar ongetwijfeld bestond hij al veel langer. De naam duidt de plek aan van de voorde, de doorwaadbare plaats, in de rivier de Amer of Eem. Voor de kruising van water- en landweg zijn twee kanshebbers aan te wijzen: daar waar de Bloemendalsestraat het Havik kruist en daar waar de Langestraat de Weverssingel kruist. De naam van de doorwaadbare plaats ging later over op de nederzetting die er in de buurt ontstond. Dit gebeurde vanaf omstreeks het jaar 1000 op de zandige hoogtes in het zuidelijk deel van de huidige stadskern. Bij archeologisch onderzoek van de laatste jaren zijn boerderijen uit de elfde en twaalfde eeuw gevonden, onder andere bij het Mooierplein. Aan het begin van de twaalfde eeuw vestigde de bisschop van Utrecht zijn hof bij de Langestraat. Vanuit deze hof werd de omgeving bestuurd en werden ontginningswerkzaamheden geregeld. In de twaalfde eeuw werd het namelijk mogelijk om allerlei moerasgronden zover droog te leggen dat ze geschikt werden voor landbouw. Daartoe werden er sloten doorheen gegraven. De ontginningen trokken nieuwe bewoners aan en al snel groeide de nederzetting uit tot een stad die groot genoeg was om in 1259 stadsrecht te krijgen van de bisschop. Dat betekende zelfbestuur en eigen rechtspraak voor de Amersfoorters. Uit de hofkapel ontstond de parochiekerk, de Sint Joriskerk.

De stedelingen legden een gracht aan, die we nu terug kunnen vinden in de singels rond de oude stadskern: de Zuidsingel, de Westsingel en de gracht die in de zeventiende eeuw gedempt is en nu het Zand heet. Voor de rest maakte men gebruik van de natuurlijke meander in de Eem. Dit is een deel van de Zuidsingel en de Weversingel. De Lange- en Kortegracht waren als doorsteek dwars door de nederzetting aan het begin van de dertiende eeuw al gegraven.

Rond 1300 kwam een stenen stadsmuur tot stand om de verdedigende werking van de gracht te versterken. Omstreeks 1380 werd echter al aan de bouw van een tweede stadsmuur begonnen, een project dat zeventig jaar zou duren. De stad kende toen namelijk een periode van grote economische bloei en bevolkingsgroei waarvoor uitbreiding van het grondgebied nodig was. Gebieden als de Kamp en de Teut kwamen nu binnen de stad te liggen. De stad zou echter voorlopig niet volgebouwd worden. Tussen de huizen bevonden zich hier en daar flinke gebieden die gebruikt werden als tuinbouwgrond.

Ter plekke van de oude stadsmuur verrezen in de vijftiende eeuw de muurhuizen, waarvan de voorgevels op de plaats van de muur staan. In de nieuwe muur werden naast een aantal landpoorten rond 1400 twee waterpoorten gebouwd: de Koppelpoort en de Monnikendam. Het noordelijk deel van de buitensingel viel samen met de hoofdtak van de (Heiligenberger) Beek die in een wijde bocht aan de oostkant om de stad stroomde. Nog steeds heet het water bij de huidige Scheltussingel de Beek. Het zuidwestelijk deel van de buitensingel is rond 1955 gedempt en daar ligt nu de Stadsring.

De middeleeuwse vesting bood tot diep in de negentiende eeuw voldoende ruimte aan alle stedelijke ontwikkelingen. Wel vond in de eerste helft van de negentiende eeuw een ingrijpende verandering plaats door de afbraak van de stadsmuren. Ter plaatse werd een plantsoen aangelegd met kenmerken van de Engelse landschapsstijl. Gebogen lanen, hoogteverschillen en een gevarieerde beplanting maakten een aantrekkelijke wandeling mogelijk. Muziektenten, één ter hoogte van Mariënhof en één bij Amicitia, zorgden voor groot vermaak. Echte uitbreiding buiten de oorspronkelijke stadsgrenzen kwam echt op gang vanaf 1900. Grote uitbreidingsplannen werden in de loop van de twintigste eeuw bedacht en uitgevoerd. Hierbij werd de binnenstad ook steeds beïnvloed. Nieuwbouw en stadsvernieuwingen werden erdoor gestimuleerd. Bij het plan van 1920 dat zich richtte op een het Bergkwartier, het Soesterkwartier en Leusderkwartier werd ook een aantal woningen in het centrum ontworpen zoals het Dreyershofje en de buurt rond de Pothstraat.

In de oorlogsjaren zijn veel panden in de binnenstad gerestaureerd. Het kwam daarbij soms tot reconstructies die de panden mooier maakten dan zij ooit waren geweest. De 'Grote Slok' op de hoek van de Zevenhuizen en de Dieventoren in de Muurhuizen zijn hiervan voorbeelden. In 1961 werden door de minister van CRM meer dan 300 panden op de rijksmonumentenlijst geplaatst.

Begin jaren zeventig had de gemeente het voornemen om een toegangsweg dwars door de binnenstad aan te leggen en daarvoor delen van de binnenstad af te breken. Na heftige protesten van de bevolking werd daarvan in 1973 afgezien. Verder werd in de jaren zeventig flink gebouwd in de binnenstad.

In 1984 werd de Markthal aan de Breestraat afgebroken en vervangen door woningen. Deze hal had hier vanaf 1929 gestaan op de plaats van een afgebroken buurtje rond de Paternosterstraat. De hal diende voor het houden van markt, veilingen, beurzen en feesten. In de jaren tachtig verrees verder op de Beestenmarkt een aantal flatgebouwen. Bij toeval stuitte men bij de graafwerkzaamheden op de restanten van de middeleeuwse stadsmuur, waarvan vervolgens een gedeelte werd opgebouwd en gereconstrueerd.

In 1981 werd Amersfoort aangewezen als groeistadgemeente. Ook de binnenstad moest zich aanpassen aan de bevolkingsgroei. Het gehele gebied binnen de tweede omwalling was inmiddels aangewezen tot beschermd stadsgezicht (1984). Slechts op de spaarzaam beschikbare plekken konden nieuwbouwprojecten worden gerealiseerd. In 1990 werd de 'Kwaliteitskaart Centraal Stadsgebied' uitgebracht voor het gebied tussen station en binnenstad en de 'kop' van het Soesterkwartier. Uitbreiding van het stadhuis en nieuw woningbouw aan de Breestraat (aan de overkant van het markthalgebied) zijn in de jaren negentig gerealiseerd.

1001 279

Reproductie van een stadsplan van Amersfoort van Jacob van Deventer uit circa 1570. Het betreft de tweede, kleinere kaart uit een atlas waarop het binnen de stadsmuren gelegen gedeelte nog eens werd getekend.

Foto

Oorspronkelijk bijschrift: "De varkensmarkt te Amersfoort, waar vroeger de beroemde Amersfoortsche kei een tijdlang begraven geweest is. Deze markt bevindt zich ongeveer in het centrum van de binnenstad."

Foto

Oorspronkelijk bijschrift Utrecht in Woord en Beeld, 24 mei 1936: "Amersfoort met zijn oude binnenstad is rijk aan verkeersopstoppingen: onze fotograaf maakte van de gelegenheid gebruik op zoo'n ogenblik op de gevoelige plaat vast te leggen."

Literatuur:

  • J.A. Brongers , Historische encyclopedie van Amersfoort (Amersfoort 1998/1999)
  • Max Cramer, Amersfoort. Basisplan bestaand stedelijk gebied. Historische wijkanalyse (Amersfoort, 1991)
  • B.G.J. Elias (red.), A. Luigjes en C.A. van Kalveen, Ach lieve tijd - 900 jaar Amersfoort en de Amersfoorters (Zwolle 1986-1987)
  • Max Cramer en Francien Snieder, Amersfoort. Architectuur en stedenbouw 1850-1940 (Amersfoort, Zwolle 1996)
  • Manon Mesdag en Gerard Raven (red.), Amersfoort binnen de poorten. Een eigenzinnige kijk op de historische binnenstad (Zaltbommel 2002)
  • Stads- en dorpsgezichten ex. art. 20 Monumentenwet, Stadsgezicht Amersfoort, toelichting op het voorstel tot aanwijzing van Amersfoort tot beschermd stadsgezicht, 1980 (aanwijzing 7 mei 1984).