| Verslag van het Historisch Congres |
|
Methodieken nodig om mensen blijvend bij geschiedenis te betrekken
Musea, archieven en historische verenigingen doen steeds meer moeite om inwoners van steden via de stadsgeschiedenis te betrekken bij hun stad. Tijdens het symposium Stedelijke geschiedenis als inspiratiebron bleek de geschiedenis van Amersfoort typerend voor de identiteit van de stad. Ook was duidelijk dat er veel en mooie initiatieven zijn om mensen bij die identiteit te betrekken. Het wordt nu tijd om te zoeken naar algemene methodieken die zorgen dat niet iedere historische organisatie in allerlei projecten telkens opnieuw het wiel moet uitvinden. Want: 'Als je je bewust bent van je omgeving, dan vernietig je die niet.' 'Er ligt een opgave voor de provincie en de gemeente om het landschappelijke erfgoed te claimen, bijvoorbeeld door nieuwe landgoederen te ontwikkelen.' Dat was de conclusie die Jaap-Evert Abrahamse trok na zijn historische betoog over de Amersfoortseweg. De senior-onderzoeker historische stedenbouw bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed maakte met zijn oproep duidelijk dat geschiedenis een inspiratiebron kan zijn voor het beleid van tegenwoordig en de ruimtelijke inrichting van de toekomst. Hij sloot met zijn presentatie het historische gedeelte af van het symposium Stedelijke geschiedenis als inspiratiebron, dat 11 september 2009 in het nieuwe gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werd georganiseerd door Archief Eemland in samenwerking met de rijksdienst en Historische Vereniging Flehite. 'Weg der weegen'Abrahamse gaf met zijn oproep duidelijk te kennen dat dit thema niet alleen belangrijk is om mensen te betrekken bij de geschiedenis van een stad, maar ook voor de ontwikkeling van een toekomstvisie op zo'n stad. De Amersfoortseweg is volgens hem een megaproject uit de zeventiende eeuw dat in meerdere opzichten als erfgoed valt te etaleren. Op initiatief van Amersfoort, met geld van Amsterdam en bestuurlijke ondersteuning vanuit Utrecht, werd een kaarsrechte, 60 meter brede weg ontworpen tussen Amersfoort en Utrecht. Een revolutionair project waarin private financierders nauw samenwerkten met overheden, waarbij de financiering moest komen van landgoederen die langs de weg gerealiseerd zouden worden. Dat lukte maar deels, maar de N237 is nog steeds het zichtbare erfgoed van de 'weg der weegen', zoals Abrahamse hem noemde. Hij roemde het project als een publiek-private samenwerking avant la lettre, en stelde dat de aanleg van een nieuwe landgoederenzone nu een verrijking zou zijn van Amersfoort, terwijl het ook een mooie mogelijkheid zou zijn om de historische relatie tussen Amersfoort, Utrecht en Amsterdam te etaleren. De vraag die centraal stond was hoe geschiedenis een betekenis kan hebben voor de identiteit van een stad, en wat musea, archieven, historische verenigingen en andere aan geschiedenis gelieerde organisaties daaraan kunnen bijdragen. Dat de stadsgeschiedenis een inspiratiebron kan zijn, bleek uit de verhalen van de twee sprekers die Abrahamse voor gingen. Want het is niet toevallig dat Amersfoort netjes het midden houdt tussen een kleine, provinciale en een grote, metropolitane stad. Wijnand Mijnhardt, hoogleraar Vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, en Francien Snieder, stadsarcheoloog van gemeente Amersfoort, schetsten in hun verhalen een sterk landelijk en agrarisch beeld van de geschiedenis van Amersfoort. 'Amersfoort was een boerendorp met een enorme muur eromheen', concludeerde Snieder naar aanleiding van een plattegrond uit de zestiende eeuw. 'Delen van de stad lijken leeg. Je ziet tuinen, hooibergen en grote kavels.' Vette ossen op najaarsmarktAmersfoort was in de middeleeuwen een marktstad, en een belangrijke. Snieder vertelde hoe zich vanaf de elfde eeuw vooral boeren in de stad vestigden, en hoe die uitgroeide tot een internationaal knooppunt op de trekroute van kuddes ossen van Zuid-Zweden naar Oost- en Noord-Nederland. 'De agrarische sector was belangrijk voor de stad', vertelde Snieder. 'Ossen werden gekocht en beweid en als vette ossen verkocht op de najaarsmarkt. In de vijftiende eeuw had Amersfoort vijf jaarmarkten, meer dan Utrecht. Veel stedelingen waren herenboeren en grootgrondbezitters. Die zaten ook in het bestuur van de stad.' De geschiedenis van Amersfoort wijkt ook op andere aspecten af van de gemiddelde Hollandse stad. Amersfoort is vooral groot in de middeleeuwen, maar heeft daarna een afwijkend verstedelijkingspatroon van steden als Utrecht of Amsterdam. Als die steden in de zeventiende eeuw een enorme groei doormaken, blijft Amersfoort achter. Maar ook de sterk afnemende verstedelijking na de zeventiende eeuw - Mijnhardt sprak hier over een periode van 'desurbanisatie' - en de daarbij horende verloedering van de Hollandse steden gaat aan Amersfoort voorbij. De stad heeft daardoor nog steeds een middeleeuws karakter. Amersfoort voelt ook pas laat de gevolgen van de groeiende verstedelijking in de negentiende eeuw, onder invloed van industrialisatie en modernisering. Pas als in 1863 de spoorlijn naar Utrecht wordt aangelegd, ontstaat er weer stedelijke groei. Amersfoort mist daardoor de groei die andere Hollandse steden wel doormaakten, met de daarbij horende ontwikkeling van een stedelijke dienstensector en een stedelijk cultureel leven. Volgens Mijnhardt was het lange tijd weinig bruisende culturele leven van Amersfoort dan ook een gevolg van de tussen 1500 en 1850 opgelopen achterstand in de verstedelijking. Communaal gevoelZo'n verhaal typeert een stad als Amersfoort, maar de grote vraag is dan natuurlijk hoe een dergelijk verhaal kan bijdragen aan de identiteit die mensen ontlenen aan zo'n stad. Wim Willems, hoogleraar Sociale geschiedenis aan de Universiteit Leiden, vertelde hoe hij dat in Den Haag heeft aangepakt. Hij begon in 2001 in samenwerking met de Haagsche Courant een aantal projecten, waarin hij artikelen schreef over herinneringen die hij had aan de stad, en waarbij hij Hagenaars opriep om hun eigen verhalen in te zenden. Dat werd een succes. 'Je kreeg een communaal gevoel in de stad', herinnert Willems zich. 'Mensen zeiden: ik wil ook mijn verhaal kwijt.' De verhalen met naoorlogse herinneringen van de Haagse bevolking werden gepubliceerd in boeken als Stadskind - Kroniek van een naoorlogse jeugd (2003), Mijn stad - Herinneringen van Hagenaars (2006), De kunst van het overleven - Levensverhalen uit de twintigste eeuw (2004), en Stadsblues - Kroniek van de jaren zestig (2005). Het laatste project was Geschiedenis van een plek, waarin Hagenaars verhaalden over plekken met een bijzondere betekenis. Willems bouwde vanuit deze projecten een heel kennisnetwerk op dat zich bezig ging houden met de geschiedenis en de identiteit van Den Haag. Er werd samenwerking gezocht en gekregen met het gemeentearchief, het Haags Historisch Museum en het Museon, zorginstellingen werden bij het project betrokken door ouderen te laten vertellen over hun Den Haag, voor middelbare scholen werden lesbrieven gemaakt om scholieren als een soort journalist op zoek te laten gaan naar historische verhalen, en de website www.dehaagseschatkist.nl werd het interactieve podium ter ondersteuning. Daar kijkt Willems nu tevreden op terug. 'Je geeft mensen een middel om zich te identificeren met de stad en de mensen om hen heen.' Door de nostalgie heenToch ging het niet vanzelf. Willems kwam er bijvoorbeeld al snel achter dat het geheugen van mensen onbetrouwbaar is. 'Om door de nostalgie heen te komen, dat is het allermoeilijkste. Er is maar een enkeling die het lukt om een verhaal een algemene lading te geven. Dergelijke valkuilen in het geheugen moet je onderkennen.' Ook bleek het moeilijk om alle Hagenaars aan het project te laten meewerken. 'Het moeilijkst bereikbaar waren jongeren en migranten. Daarom ontwikkelden we trainingen om verhalen te verzamelen.' Onder de noemer Haagse spoorzoekers kregen middelbare scholieren vier avonden een cursus om beschrijvingen te maken van de verhalen die ze te horen kregen van oudere mensen. 'Dit is overal in Nederland toepasbaar', concludeerde Willems. Daarmee gaf hij een prikkelende aanzet tot de vijf workshops die waren georganiseerd. In de workshop Geschiedenis digitaal werd de website www.tijdbalk-amersfoort.nl als case study gebruikt om te onderzoeken welke mogelijkheden internet biedt. Onder de noemer Eigentijds rondleiden werd onder leiding van Hans Walstra van het Gilde Amersfoort gediscussieerd over de mogelijkheden om rondleidingen eigentijds en aantrekkelijk te houden. Jill Burnier en Gemma Elderhorst van Archief Eemland gingen in de workshop Oral history dieper in op de door Willems aangestipte betrouwbaarheid van verhalen die mensen vertellen, en welke verhalen de moeite waard zijn om te archiveren. Joke Sickmann vertelde in de workshop Profileren hoe ze samen met mensen uit de wijk Soesterkwartier het Wijkmuseum Soesterkwartier heeft opgezet, met als centrale vraag of je zulke wijkinitiatieven moet professionaliseren of vooral de wijk zelf in beweging moet zien te krijgen. En Willems discussieerde in de workshop Eigentijds verzamelen over de vraag of zijn aanpak ook in bijvoorbeeld Amersfoort is toe te passen. WikipediseringTijdens de workshops leek telkens dezelfde vraag terug te komen, namelijk hoe historische organisaties het verzamelen, archiveren, bewaren, etaleren, profileren en musealiseren van verhalen, films, objecten, illustraties, foto's, geluidsbestanden en andere overblijfselen van de geschiedenis van een stad kunnen combineren met de inzet en de betrokkenheid van de lokale bevolking. Daarbij werden termen als 'museum 2.0' en 'wikipedisering' niet geschuwd, verwijzingen naar de manier waarop er op internet tegenwoordig via 'communities' geprobeerd wordt om mensen te betrekken en gezamenlijk met het publiek kennis te ontwikkelen. Dat maakte eens te meer duidelijk dat de wereld van musea, archieven en historische verenigingen en organisaties aan het veranderen is. Er zijn veel historische organisaties die bezig zijn om de inwoners van de stad bij de stadsgeschiedenis te betrekken. In Zoetermeer is het Stadsmuseum bezig om met objecten en workshops verhalen los te krijgen over het nieuwe, naoorlogse Zoetermeer. In Nijkerk heeft Stichting Oud Nijkerk de bestaande oudheidkamer omgevormd tot geregistreerd museum dat ook educatieve programma's organiseert. Maar het blijft moeilijk om mensen te betrekken bij de stad. In Zoetermeer kreeg het Stadsmuseum alleen nostalgische verhalen over het oude Zoetermeer, niet over de nieuwe hoogbouw. In Nijkerk vroeg men zich af wat nu typisch Nijkerks is, en welke objecten je het best in Nijkerk kan tentoonstellen. Jongeren en migrantenVeel van de deelnemers aan de workshops vonden dat er speciale aandacht nodig is voor jongeren en de migranten, want die hebben weinig binding met de stadsgeschiedenis zoals die wordt gebracht door historische organisaties. 'Minderheden vinden zich niet terug in het gemeentearchief', stelde iemand. En een jongere zei: 'Het is moeilijk als jongere om te beseffen dat je zelf ook deel uitmaakt van de geschiedenis van je stad.' Historische organisaties zouden eraan kunnen werken dat jongeren dat gevoel wel krijgen. Dat kan bijvoorbeeld door aan te sluiten bij het onderwijsniveau. Een medewerker van Archief Eemland vertelde dat ze havo-leerlingen meer betrekken bij de geschiedkundige aspecten van een expositie, terwijl vmbo-leerlingen meer ingezet worden bij de digitale architectuur en de ict. Historische organisaties doen dus al veel om mensen bij de collectie en de geschiedenis te betrekken. Uit de workshops bleek echter dat daar nog weinig lijn en continuïteit in zit, maar dat het vooral bestaat uit losse projecten nog te weinig samenhang vertonen of gebruik maken van ervaringen elders en samenwerking met andere organisaties. Dat bleek in de workshop over de website www.tijdbalk-amersfoort.nl, waarbij een van de deelnemers voorstelde om mensen zelf inhoudelijke informatie te laten bijdragen, zoals bij Wikipedia. Dat roept echter nieuwe vragen op: wie doet de technische en inhoudelijke redactie, wie heeft zeggenschap over de site, voor wie en hoe organiseer je het, en hoe laat je vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Willems vertelde in zijn workshop dat de verhalen die hij voor de Haagsche Courant nu niet meer op internet zijn te vinden, omdat het copyright bij de krant berust en die er geen moeite voor wil doen. 'Het gaat om bewustzijn'Zo bleek iedereen het erover eens dat het nodig is dat er een verband gelegd wordt tussen de geschiedenis van een stad en de huidige bevolking ervan. 'Het gaat om bewustzijn', luidde het in de workshop Eigentijds verzamelen. 'Als je je bewust bent van je omgeving, dan vernietig je die niet.' Tegelijkertijd was er een groeiend besef dat die bewustwording niet wordt bereikt door allerlei losse projecten, waarbij allerlei historische organisatie vaak ook nog zelf telkens opnieuw het wiel uitvinden. 'Het werken aan methodieken, daar ontbreekt het aan', concludeerde Willems in zijn workshop. 'Het moet een dwingender karakter krijgen.' De spoorzoekerscursus die hij in Den Haag organiseerde, kan wat Willems betreft een voorbeeld van zo'n methode worden. In de praktijk is het zoeken naar de juiste mix van beproefde, professionele methoden en vernieuwende, lokale initiatieven. Die laatste maken dat mensen in de geschiedenis van hun stad geïnteresseerd blijven. Dat bleek bij de workshop Profileren. Een te sterke inzet op professionalisering kan zelfs contraproductief werken. Joke Sickmann van Wijkmuseum Soesterkwartier vertelde dat het museum eigenlijk het resultaat was van een uit de hand gelopen hobby, en dat de vrijwilligers die meehelpen helemaal niet zitten te wachten op bijvoorbeeld een beleidsplan. De grote vraag is, bleek tijdens de workshop, dat je je als historische organisatie moet afvragen voor wie je het doet, dat je moet inspelen op wat er leeft, en dat je voor de continuïteit samenwerking zoekt met andere, lokale, professionele organisaties. Maar het zijn de mensen die het hem doen. Geschiedenis geeft een stad identiteit, en dient als inspiratie voor het toekomstige erfgoed. Dat werd duidelijk in de historische bijdragen aan het symposium Stedelijke geschiedenis als inspiratiebron, en vooral uit de oproep van Abrahamse. Historische organisaties als musea, archieven en verenigingen zullen dus op zoek moeten naar de interactie met de inwoners van de steden waar ze het historische bewustzijn willen bevorderen. Daarvoor zal samenwerking gezocht moeten worden met organisaties in andere steden, zodat er een gezamenlijke ontwikkeling ontstaat van methodieken om mensen bij geschiedenis te betrekken en om verhalen uit mensen te distilleren. Maar geschiedenis blijft mensenwerk en de methodieken moeten wel ruimte laten voor dat mensenwerk.
|


